Inleiding
Begin jaren zeventig maakte ik kennis met mr. Arie Bouman, schrijver van een
aantal boeken op orgelgebied. Bouman bleek een gezellige en attente gastheer te
zijn: ‘Belt u even met welke bus u naar Eelde komt, dan wacht ik u bij de
bushalte op’. Hij had er geen problemen mee om zijn kennis te delen met iemand
van een jongere generatie. Veel kennis had hij paraat, maar voor meer
gedetailleerde zaken moest hij beroep doen op zijn dispositieverzameling, een
stapel schoolschriften waarin hij veel van wat hij op orgelgebied was
tegengekomen had vastgelegd.
In deze uitgave staan Boumans dispositieverzameling en zijn wijze van verzamelen
centraal. Zijn rol als orgeladviseur en die binnen de naoorlogse
richtingenstrijd, is een studie op zich en valt buiten het kader van deze
uitgave[1].
Deze uitgave zou er een worden van ‘vallen en opstaan’.
In afwachting van scans van Boumans notities ben ik met deze uitgave
begonnen aan de hand van de ingebonden kopieën van diens verzameling als bron.
Toen na vier jaar wachten de scans tegen alle verwachtingen in toch beschikbaar
kwamen, bleek dat de ingebonden kopieën fors afweken van Bouman’s eigen
verzameling. Niet alleen bleek dat een aantal cahiers nooit was gekopieerd, maar
bij het kopiëren bleken pagina’s weggelaten te zijn, informatie elders uit
Boumans archief te zijn tussengevoegd en met de door Bouman-zelf tussengevoegde
informatie was inconsequent omgegaan. Ook waren nu Boumans potloodaantekeningen
leesbaar. Het beschikbaar komen van de scans betekende dat enige honderden
pagina’s tekst (die ik in 2024 al in beperkte kring verspreid had), opnieuw
moest worden opgezet om zo dicht mogelijk bij Boumans eigen geschriften te
kunnen blijven en dat ik alsnog met de annotatie van de mij tot dusver onbekende
cahiers aan de slag moest. De in deze uitgave gehanteerde volgorde is die als op
de scans die mij door de Stichting
Utrechts Orgelarchief Maarten Albert Vente ter beschikking zijn gesteld.
Dispositieverzamelingen hebben waarde op verschillende abstractieniveaus. Ze
geven, afhankelijk van hun grootte, op internationale, nationale dan wel lokale
schaal de stand van zaken van een bepaald moment weer. Ze spelen een rol bij het
snel in beeld krijgen van de werkzaamheden van individuele orgelmakers. Ze
vullen mogelijke leemten in archieven en spelen een rol bij determinatie van
gebruikte instrumenten waarvan de herkomst niet dan wel onvoldoende duidelijk
is.
Voor deze uitgave maak ik gebruik van tekstblokken die ik eerder heb gebruikt
bij de ontsluiting van de dispositieverzamelingen van Van Meurs en van Boogert.
Uiteraard zijn de tekstblokken aangepast indien nieuwe informatie en/of
inzichten daar aanleiding toe gaven. Ook het ten behoeve van de annotatie
gebruikte format is ontleend aan beide eerder genoemde uitgaven.
Deze uitgave begint met een korte biografische schets, daarna ga ik in op het
fenomeen orgelgegevensverzamelingen, zowel internationaal als nationaal en op de
systematiek die Bouman in zijn verzameling hanteerde. Daarna volgt de annotatie.
Door die annotatie wordt als het ware de brug geslagen tussen het moment van
vastlegging en het heden. De bronnen staan in de voetnoten, of direct onder de
annotatie. Bronnen waaraan op meer plekken wordt gerefereerd, vindt u terug in
de bronvermelding aan het einde van deze uitgave.
Tot slot, deze uitgave is een ‘no budget’-uitgave, het werk is pro Deo (of in
dit geval pro Bouman) gedaan. Op dezelfde basis iemand vinden die als
eindredacteur bijna achthonderd pagina’s wil nalopen op type- en taalfouten is
een utopie. Daarom mijn oprechte verontschuldigingen voor type- en taalfoutjes.
In de 21e eeuw blijkt steeds minder interesse voor het fenomeen orgel.
Hopelijk vormt de dispositieverzameling van Bouman een nieuwe inspiratiebron
voor verder orgelonderzoek.


Links: Arie Bouman in 1948 (foto:
ontleend aan De Schalmei, 3/3
[1948], 63)
Arie Bouman, korte biografische schets[1]
Arie Bouman werd op 16 januari 1911 in Rotterdam
geboren. Zijn ouders waren mr. Pieter Bastiaan Bouman (1876-1954) en Cornelia
Sara Bouman – Flesch (1878-1952). Boumans vader, een gezaghebbend advocaat van
Gereformeerde huize, was nauw betrokken bij tal van instellingen en organisaties
op kerkelijk, politiek, sociaal-educatief en cultureel gebied in de Maasstad.
Bouman jr. trad in zijn vaders
voetsporen en ging eveneens rechten studeren.
Van jongs af aan was hij
geïnteresseerd in orgels. Zijn eerste orgellessen kreeg hij van J.J. de Vos, de
organist van de Gereformeerde Statensingelkerk te Rotterdam. Hij moet met
orgelspelen een aardig niveau bereikt hebben, want op latere leeftijd speelde
hij menig door hem geadviseerd orgel zelf in. Op 1 oktober 1935 werd hij
organist van de Gereformeerde Bergsingelkerk. In De Harp staat over deze
benoeming het volgende: ‘Rotterdam. Tot organist der Bergsingelkerk is na
vergelijkend examen benoemd mr A. Bouman. Namens de Vereniging van Organisten
bij de Gereformeerde Kerken was de Examencommissie samengesteld uit de H.H.:
W.A. Houtman, P. v.d. Kerkhoff en J.J. de Vos[2].’
Hij zou er tot in 1940 organist blijven[3].
Bouman is twee maal gehuwd
geweest. Op 13 juli 1939 trouwde hij in Rotterdam met Dieuwke Idske (roepnaam
Joek) Eringa (Rotterdam 9 juli 1911 – Amsterdam 2003)[4],
dochter van dr. Sjoerd Eringa[5],
docent aan het Marnix-gymnasium en Wiebigje Bakker. Arie en zij kregen drie
kinderen, waarvan de oudste, Eva Maria, bekend werd[6].
Dit huwelijk werd door echtscheiding ontbonden[7].
Later huwde hij met Elisabeth Johanna Eijkelenburg († 09-04-1987)[8].
Praktijkkennis op het gebied van
orgelbouw deed hij op in de werkplaats van de Rotterdamse orgelbouwers de
gebroeders Van der Kley[9].
Al op jonge leeftijd bezocht en bespeelde hij talloze orgels. Kennelijk hield
hij precies bij wanneer hij een instrument voor het eerst bespeelde want bij
zijn beschrijving van het Witte-orgel van de Vrije Gemeente Amsterdam noteerde
hij ‘Op Zaterdag 17 September 1938 dit orgel als 1000ste orgel bespeeld’[10].
De disposities schreef hij in cahiers, onder vermelding van
vulstemsamenstellingen en klavieromvang. Alles wat hij op orgelgebied was
tegengekomen, bewaarde en ordende hij. Zo had hij op een gegeven moment de
archivalia van de orgelmakers de Gebr.
Smits en van
Witte veilig weten te
stellen, alsmede oud orgelmakersgereedschap.
Bouman was ook internationaal
actief en woonde enkele Tagungen in het kader van de Orgelbewegung bij. In 1938
nam hij in Freiburg im Breisgau actief aan de discussies deel[11].
Op basis van de door hem
vergaarde kennis trad Bouman in 1936 toe tot de in 1917 opgerichte Nederlandsche
Klokken- en Orgelraad (NKO)[12],
een instantie die – ondanks haar zuil-overstijgende samenstelling – gaandeweg
steeds meer omstreden werd. De Raad vatte haar taak ruim op en leden ervan
gingen ook in het buitenland instrumenten beluisteren. Zo bezochten zij eind
dertiger jaren onder meer het orgel van de Cathédrale Notre-Dame te Reims dat in
1937 door de orgelmaker Victor Gonzalez van een nieuw binnenwerk was voorzien in
de stijl ‘orgue néo-classique’[13].
Bouman en dr. ir. W.H.C. Knapp[14]
waren de eerste Nederlanders die zich op orgelterrein internationaal
oriënteerden.
Bouman kreeg bij de NKO de
invloedrijke functie van secretaris. Hij was namens de Raad bij talloze
restauraties betrokken, zoals van de orgels in de Groninger Martinikerk en de
Amsterdamse Westerkerk. Zijn adviezen bleken naar huidige maatstaven niet altijd
even succesvol. Bouman koesterde eigen ideeën over het aanpassen van historische
orgels aan moderne eisen: ‘Het beste van de orgelbouw uit vroeger eeuwen moet
met toepassing van de moderne techniek tot een rijker ontwikkeling worden
gebracht, aansluitend bij de klank-idealen van den eigen tijd’.
Toen duidelijk sprake werd van
oorlogsdreiging en Nederland zijn orgels wilde beschermen tegen omsmelding, in
toenmalige ogen de grootste bedreiging, stelde Bouman een overzicht van
beschermenswaardige orgels op. Zijn dispositieverzameling zal daarbij goede
diensten hebben verleend. Uiteraard was hij niet overal in het land even goed
thuis. Voor wat betreft Groningen legde hij zijn conceptoverzicht voor aan Johan
van Meursdie een aantal aanvullingen voorstelde[15].
Mogelijk volgde hij elders in het land dezelfde procedure.
Naast zijn werk in het kader van
de NKO trad hij als orgeladviseur op voor de NCRV, namens de Gereformeerde
Organistenvereniging en op persoonlijke titel. Daarnaast was hij lang opzichter
voor orgels van de Hervormde Gemeente te Amsterdam en begin jaren zeventig
voorzitter van de orgelcommissie van de gemeente Amsterdam[16].
Na het bombardement kreeg Bouman al snel een baan aangeboden in Amsterdam en
verhuisde het echtpaar op 1 juli naar die plaats[21].
Hij pakte het verzamelen weer snel op. In de hierboven aangehaalde brief aan
Flentrop schrijft hij over het opnieuw opbouwen van zijn bibliotheek: ‘al zal
het herstel van het vroeger bezit uitgesloten en zelfs verkeerd zijn, toch is
materiaal voor ieder werk onontbeerlijk’. Als hij bij een antiquariaat boeken op
orgelterrein aantrof, kon hij die niet laten liggen. Zo had hij bijvoorbeeld van
het boek L' Art du Facteur d' Orgues van Dom Bédos de Celles van zowel de
originele uitgave als van de herdrukken wel enkele exemplaren op zijn zolder
liggen. Later kwamen die boeken weer bij andere liefhebbers terecht
Bouman was ook als publicist actief en schreef een aantal boeken over orgels.
Vermoedelijk is zijn eerste publicatie op dat terrein Hausorgeln in Holland dat
hij samen met Pieter Kluyver opstelde[22].
Zijn vlot leesbare boekje Orgels in Nederland (Heemschutserie, Amsterdam 1943)[23]
was voor veel geïnteresseerden in Nederland, Vlaanderen en Duitsland een eerste
kennismaking met het fenomeen orgel. In 1959 schreef hij Vom Wesen der Orgel[24].
In 1964 werkte hij zijn uitgave van 1943 om tot een nieuwe publicatie: Nederland
Orgelland (1964). Dit boek kreeg in de periodiek Het Orgel forse kritiek[25].
Zijn meest bekende publicatie is wellicht het boek Orgelbouwkunde. Piet
Oosterhof gaf de eerste druk uit in 1934. In 1947 volgde de tweede druk, nu een
coproductie van Oosterhof en Bouman[26].
Bouman was publicitair niet alleen actief op
orgelgebied, zo publiceerde hij in 1986 een boek over getalschrift, een studie
van de getalswaarde van letters, woorden en teksten met toepassingen op het
gebied van o.a. de bijbel en biografieën[27].
Een tweede publicatie over dat onderwerp heeft hij door zijn overlijden helaas
niet kunnen afronden.

Naast Boumans werk als advocaat en procureur, richtte
hij zich op de orgelbouw en later was hij als jurist werkzaam op maatschappelijk
en sociaal terrein en had hij zitting in veel Gereformeerde organisaties en
gremia op het gebied van muziek, kunst en maatschappij. Nieuwe onderwerpen waar
hij in het kader van het Gereformeerd vormingswerk tegen aan liep, zoals in de
vijftiger jaren bijvoorbeeld geloof versus homofilie, pakte hij aan op dezelfde
wijze als bij zijn orgelverzameling had gedaan: eerst bundelen van alles wat hij
op dat terrein zo breed mogelijk kon achterhalen en vervolgens een standpunt
bepalen. Respect stond hierin voor hem centraal. Artikelen van zijn hand over
uiteenlopende onderwerpen werden ondermeer gepubliceerd in het Tijdschrift voor
Geneeskunde en het Tijdschrift voor Maatschappelijk werk.
Naar Boumans mening miste in
Nederland een echt 20e eeuws orgeltype. Over de na-oorlogse orgelbouw stelde hij
in 1961: ‘De Nederlandse orgelbouw heeft zichzelf geïsoleerd door het streven
naar de perfecte nabootsing van de orgelbouw omstreeks 1650. En men is dermate
verslaafd geraakt aan deze drie eeuwen oude stijl, dat elke vernieuwing wordt
beschouwd als bederf’[28].
Bouman beschouwde deze richting niet als vernieuwend en daarom probeerde hij in
die leemte te voorzien door het ontwerpen van nieuwe orgelregisters. In 1961 had
hij er al twaalf ontwikkeld[29],
later zonden er nog meer volgen. Voorbeelden van zijn vindingen: Aliquoteen,
Cantus Firmus, Holquintadeen, Kegelgedekt, Kegelpijp, Klokfagot, Klokschalmei,
Koppelzink, Quintreseptnon, Portunaalzweving, Septadeen, Spitsoctaaf,
Superoctadeen, Trechter(roer)fluit, Trompet-musette, Trompetsexquialter[30]
en de Zoembas[31].
Bij enkele van deze vindingen is
ontegenzeglijk sprake van een nieuwe vinding, bij andere lijkt eerder sprake van
doorontwikkelen van bestaande registers, al is die scheidslijn altijd dun. Vanaf
1956 experimenteerde hij in de werkplaats van Pels & van Leeuwen in Alkmaar en
later gewoon thuis op zolder, waar hij de beschikking had over een intoneerlade
en een oscilloscoop. Uitgangspunt bij veel van door hem bedachte registers was,
dat de betreffende pijp twee toonhoogtes kon voortbrengen (een grondtoon en een
boventoon) die voor het gehoor resulteerden in een derde 'verschiltoon'. Over
zijn vindingen stelde hij in 1961: ‘In de eerste plaats heb ik het
klankkleurenpalet aanzienlijk verrijkt door meer klanken aan het orgel toe te
voegen. En verder is er een niet te verwaarlozen economisch nut: Mijn pijpen
vragen een kwart van de ruimte en het materiaal, die de normale pijpen nodig
hebben’.
Bouman kon zijn vindingen maar
beperkt toepassen, er bleek te weinig draagvlak voor[32].
Bij het door hem geadviseerde orgel van de Nieuwe kerk in IJmuiden[33]
werden dergelijke registers al snel door meer gangbare vervangen. In andere
gevallen – zoals de voormalige Gereformeerde Vredekerk in Hoogezand-Sappemeer en
de voormalige Beekkerk in Eerbeek – was weliswaar slechts één door hem bedacht
register geplaatst, maar was sprake van een ‘normaal’ registeropschrift,
waardoor het bijzondere ervan kennelijk niemand opviel. Deze registers werden
pas in resp. 2005 en 2024 vervangen toen deze instrumenten andere bestemmingen
kregen[34].
Op een later moment verkocht Bouman de op zijn nieuwe registers verworven
patenten door aan de toenmalige firma Aug. Laukhuff GmbH & Co te Weikersheim
[D]. In de catalogus van Laukhuff stonden daardoor enkele ‘Bouman-stemmen’
genoemd en afgebeeld, zoals diens Kegelpfeife[35].
In enkele gevallen verzorgde hij in opdracht van Laukhuff de voorintonatie.
Orgelmaker Sicco Steendam vond in Noorwegen in diverse orgels van Duitse
oorsprong door Bouman ontworpen Kegelgedekten aan[36].
Bij bestaande instrumenten paste Bouman zijn vindingen voor zover mij bekend
niet toe. Hij stond met zijn nieuw uitgevonden registers overigens niet alleen:
ook de Duitse orgeldeskundige Hans Henny Jahn (1894-1959) experimenteerde met
nieuwe registers[37]
en de Duitse orgelbouwer Oberlinger ontwikkelde rond de eeuwwisseling ten
behoeve van de huisorgelbouw de zgn. Cubus 16’, een compact pedaalregister dat
zorgt voor een goede klankbasis en dat maar weinig ruimte vraagt[38].

Door Arie Bouman ontworpen pijpen, collectie Nationaal
Orgelmuseum Elburg.
(foto: Jan Smelik)
Twee door Bouman ontworpen pijpen
bevinden zich in de collectie van het Nationaal Orgelmuseum in Elburg, een
aantal andere bevinden zich in de collectie van Orgelmakerij Steendam in
Roodeschool.
Een praktijkproblemen ontstaan
door de disponering van een Trompetmusette:
in de tachtiger jaren van de
vorige eeuw werden werkzaamheden uitgevoerd aan de beide orgels van de
rooms-katholieke St.-Eriksdom in Stockholm. De plaatselijke organist Ákos
Rózmann en de orgelbouwer Johannes Künckel besloten in het koororgel een
Trompetmusette te disponeren. De intonatie van deze stem verliep niet naar wens
en uiteindelijk besloot men het register terug te sturen naar Laukhuff. Naar
aanleiding van de ontstane problemen schreef Rózmann ter gelegenheid van de
ingebruikneming van de orgels de compositie ‘Trumpetmusette: for he passing away
of an organ stop’. Uiteindelijk werd in het koororgel een ‘gewone’ Kromhoorn
geplaatst[39].
Of wellicht overwogen is Bouman zélf in te schakelen bij de gerezen problemen
vertelt het verhaal niet.
Als één der eersten
experimenteerde Bouman met elektronisch geluid. In 1958 breidde hij zijn Ter
Hart-secretaireorgel uit met elektronische pedaalstemmen, hetzelfde deed hij in
1976 met het Van Oeckelen-orgel van zijn kerk in Eelde[40].
Bouman was een gelovig man. Ooit had een nieuwe
orgelmaker het orgel van zijn kerk in Eelde gestemd. Deze had zich echter niet
positief uitgelaten over Boumans wijzigingen van en aanvullingen op dit
instrument. Bouman ontzegde hem subiet de verdere toegang tot het orgel. Korte
tijd later ging echter ook de betreffende orgelmaker in Eelde wonen. Toen Bouman
dat vernam, nam hij direct contact met hem op. Hij wilde tot iedere prijs
voorkomen dat ze samen aan het Heilig Avondmaal zouden deelnemen, terwijl er
tussen hen een conflict bestond. De problemen werden in een persoonlijk
onderhoud snel en in een goede sfeer opgeruimd[41].
Nadat de NKO na de oorlog steeds meer aan betekenis
inboette[42],
kreeg Bouman steeds minder werk als adviseur en had hij in actieve zin de
orgelwereld teleurgesteld de rug toe moeten draaien. Hij verbaasde zich er
evenwel over dat iedereen mocht en kon groeien en van mening cq. inzicht mocht
veranderen, maar dat hem zijn activiteiten uit de jaren dertig en veertig nog
steeds aangerekend werden, alsof bij hem geen sprake van groei zou zijn geweest[43].
Opmerkelijk aan die laatste jaren was dat, terwijl hij als adviseur had
afgedaan, juist onderzoekers in toenemende mate de weg naar zijn huis in Eelde
wisten te vinden. Deze laatste groep was zich bewust van zijn grote kennis en
maakte daar dankbaar gebruik van. Iemand als Cor Edskes had respect voor Bouman
vanwege diens grote feitenkennis, maar niet voor diens in zijn ogen foute keuzes[44].
Het heringebruiknemingsconcert ter gelegenheid van het opnieuw gerestaureerde
Groningse Martini-orgel in 1984 woonde Bouman als genodigde bij. ‘De
bijgeplaatste vulstemmen zijn heel scherp’ stelde hij na afloop, ‘die van ons
waren destijds veel te zwak. Ik ben dankbaar dat ik dit heb mogen meemaken’[45].
Bouman overleed in Eelde op 13 januari 1999, vlak voor
zijn 88e verjaardag. Op 19 januari werd zijn stoffelijk overschot bijgezet op de
begraafplaats ‘de Duinen’ aldaar[46].
Op zijn grafmonument werden later stenen neergelegd, die hij samen met zijn
echtgenote van vakanties had meegenomen. De rechthebbende van het graf heeft
daar intussen afstand van gedaan en het grafmonument is in 2018 verwijderd[47].
Uit diverse ‘in memoriams’ wordt duidelijk dat de schrijvers ervan hem nog
steeds niet adequaat in zijn tijd hebben kunnen plaatsen. Boumans vroegere
orgeladviezen werden hem alsnog nagedragen, alsof hij de enige persoon is van
wiens werk we moeten constateren dat wij het heden ten dage anders gedaan zouden
hebben.
Na Boumans overlijden kwam diens archief, waaronder de
dispositiecahiers, terecht bij dr. Teus den Toom (1943-2021) uit Hilversum die
het herordende en deels inventariseerde. Om de unica niet te beschadigen heeft
Den Toom een deel van de dispositieverzameling kopieën gemaakt en laten
inbinden.
Den Toom zocht later een goede plek voor dit waardevolle
materiaal. Door bemiddeling en hulp van de Stichting Utrechts Orgelarchief
Maarten Albert Vente werd Boumans archief in 2017 overgebracht naar de
Universiteitsbibliotheek Utrecht, locatie Uithof (afdeling Bijzondere
Collecties). Een deel van het door hem verzamelde oude orgelmakers-gereedschap
(zoals stemhoorns van Witte en een ventielverentang[48]
uit de werkplaats van Hermanus Knipscheer II) en twee door hem ontworpen
orgelpijpen maken nu deel uit van de collectie van het Nationaal Orgelmuseum in
Elburg, een ander deel (zoals Boumans intonatiegereedschap) werd door de familie
geschonken aan Sicco Steendam in Roodeschool. In Roodeschool bleef ook een
hoeveelheid oud pijpwerk van tot dusver onbekende herkomst bewaard[49].
[1] Deze schets is op hoofdlijnen ontleend aan de volgende
publicaties: Cor L. Doesburg, Orgels bij de omroep in Nederland (Naarden
1996) 69; Christo Lelie, Omstreden pionier zocht naar orgelklank van de
2Oste eeuw, bijdrage in Trouw (19 januari 1999); Teus den Toom, In
memoriam mr. A. Bouman. De Orgelvriend 41/3 (1999), 8-11; een
levensbeschrijving van Bouman op de site van het Utrechts Orgelarchief
Maarten Albert Vente en op gesprekken die ik in de zeventiger jaren
zelf met Bouman had.
[2] De Harp, 30/12 (1935), 93.
[3]
www.edwinvooijs.nl/bergsingelkerk-orgel (27-07-2024).
[4] Later zou zij bekend worden als letterkundige en
feministe.
[5] Eringa promoveerde twee maal, in 1920 summa cum laude
aan de Sorbonne en in 1924 aan de Gemeentelijke Universiteit.
[6] Eva Maria Bouman (1943-1989), musicoloog, musicus,
componist en feministisch activist.
[7] Eringa 80-81.
[8] Boumans overlijdensadvertentie, Nieuwsblad van het
Noorden, 15 januari 1999, 14.
[9] Deze firma was actief in de periode 1897-1938.
[10] Notitie in dispositiecahier VIIIA, blz. 152-153.
[11] Ruud Hoogenboom, Muziek of munitie? Het gevaar voor
Nederlandse orgels in de Tweede Wereldoorlog, Het Orgel, 121/2 (2025),
10-17.
[12] In een brochure met de statuten en het reglement
staat over de NKO het volgende: De N.K.O. is een lichaam, dat
adviezen geeft, plannen maakt, toezicht houdt op en keuringen verricht
bij aanschaffing of restauratie van luidklokken en klokkenspelen
eenerzijds en bij bouw of restauratie van pijporgels anderzijds, in
Nederland en zijn koloniën. Hij werd op 12 Januari 1917 opgericht als
sub-commissie van de Nederlandsche Oudheidkundige Bond, doch groeide al
spoedig uit tot een zelfstandige vereeniging, die bij Koninklijk Besluit
van 9 November 1917 (No. 62) werd goedgekeurd. Door de omstandigheid,
dat in de N.K.O. vertegenwoordigers van deze Bond, van de Regering en
van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg zitting hebben, alsmede door
de vereischte publiciteit van het N.K.O.-werk in de jaarverslagen, zijn
waarborgen geschapen voor een voortdurende controle op zijn
werkzaamheden. […] Sinds 1936 is de N.K.O. de adviseur geworden van het
Rijksbureau voor de Monumentenzorg (en daarmee van de regeering), en
sinds 1940 mede van de Vereniging van kerkvoogdijen in de Ned. Hervormde
kerk.’
[13] Wellicht verklaart het enthousiasme van de NKO voor
dit orgel de wensen voor een meer Frans karakter van enkele stemmen in
het Groningse Martini-orgel. In een recente publicatie over dit orgel is
het Franse element wel gememoreerd, maar is niet ingegaan op de herkomst
ervan. Ook Knapp (zie hieronder) was enthousiast over het orgel van
Reims. Hij bezocht het rond 1960 en maakte er een aantal opnamen van.
[14] De Scheveninger Willem Hendrik Christaan Knapp
(1897-1962), econoom en amateur-organist, één van de meest onderbelichte
figuren uit de orgelhistorie van de 20e eeuw, was internationaal goed
georiënteerd en persoonlijk bevriend met Albert Schweitzer, Johannes
Klais, Henry Willis en vele anderen. Publicitair was hij op een scala
van terreinen actief. Zijn forse boek Het Orgel was op het moment van
verschijnen in 1952 helaas al sterk gedateerd. Rond 1960 trok hij samen
met zijn goede vriend de Rijswijkse organist Joop Schouten (1907-1983)
door heel Europa om instrumenten te bespelen, te fotograferen en op de
band vast te leggen. Samen hielden zij talloze lezingen in ons land om
geïnteresseerden de resultaten te laten zien en horen.
[15] Brouwer 2017, 72 en 75-76.
[16] De drie andere commissieleden waren: Jan Nico Cramer
(1920-1974), hoofdambtenaar van de dienst Monumentenzorg van de gemeente
Amsterdam, secretaris; Hubert Schreurs (1908-1981), orgelmaker en
Barendina Maria Bijtelaar (1898-1978), archivist. Vanuit diverse hoeken
werd fel geageerd tegen de samenstelling van deze commissie.
[17] Brief dd 10 juni 1940, met dank aan Jan van der Male
die mij een kopie van deze brief ter hand stelde.
[18] Waaronder een Adema-salonorgel, in 1869 gemaakt voor
het St.-Elisabethgesticht in Leeuwarden en later in zijn bezit gekomen.
(De Mixtuur, nr. 31 [1980], 32-34.) Al in 1942 kocht hij een ander
huispijporgel, nu één uit 1879 van de hand van Ter Hart.
[19] De fa. Standaart maakte er reclame mee dat A.W.J.
Standaart jr. (1907-1976) in 1935 aan de Western Universiteit in Berlijn
tot doctor in de Technische Wetenschap gepromoveerd was op
het proefschrift Nieuwe inzichten op het gebied der toonvorming en der
periodieke wijzigingen van den aerodynamischen druk in orgelpijpen. Eén
en ander is onduidelijk. De door Standaart genoemde universiteit en de
promotor zijn onbekend. Hoewel in de tweede wereldoorlog in Duitsland
veel archivalia verloren zijn gegaan, heeft een ter zake ingesteld
onderzoek door Standaart-onderzoeker Piet van Hoogdalem (1937-2011),
hieromtrent niets tastbaars opgeleverd. Opvallend is dat Standaart wilde
promoveren aan een Duitse Universiteit, maar zijn proefschrift niet in
het Duits maar in het Nederlands opgesteld is. Er is tot nu toe slechts
één getypt exemplaar van bekend.
[20] Brouwer 2017, 75.
[21] Eringa, 53.
[22] A. Bouman & P. Kluyver, Hausorgeln in
Holland, Bericht über die zweite Freiburger Tagung für deutsche
Orgelkunst von 27. Bis 30. Juni 1938 (Kassel 1939), 125-131.
Hoewel Bouman al vroeg over huisorgels publiceerde, was de kennis op dat
gebied in die jaren nog beperkt. Daar kwam pas verandering in na de
dissertatie van Gierveld (v.w.b. de 18e eeuwse huisorgels) en artikelen
in De Mixtuur (grotendeels v.w.b. 19e eeuwse huisorgels).
[23] Een 2e druk volgde in 1949.
[24] Hausmitteilung, nr. 22 (juni 1959) (Periodiek van de
orgelmaker Walcker in Ludwigsburg[D]), 1-3, 6-8.
[25] Lambert Erné, Spieghel der waerheyt, Het Orgel 60/5
(1964), 93-98.
[26] Een 3e geheel herziene en zeer uitgebreide druk kwam
uit in 1956, een 4e geheel herziene en zeer uitgebreide druk in 1971 en
tenslotte een 5e in twee oplagen in resp. 1980 en 1985.
[27] A. Bouman, Getalschrift duidt uw leven (Heinenoord
1986), ISBN 90-6777-015-9. In de bibliotheek van Orgelmakerij Steendam
bevindt zich een exemplaar van deze uitgave, door Bouman zelf van
annotaties voorzien.
[28] Nahuisen.
[29] Nahuisen.
[30] Nadat eind 19e eeuw Trompetregisters op quinthoogte
waren geïntroduceerd, was de Trompetsesquialter voor Bouman een logische
vervolgstap. Bij deze pijp was sprake van één beker, één stevel en één
kop met twee lepels incl. tongen en stemkrukken. Voor zover mij bekend
is deze vinding nergens toegepast.
[31] Arie Bouman, Neue Orgelregister, ISO Information, nr.
22 (1982), 43-56.
[32] Schrijver dezes heeft Boumans registers nooit ergens
kunnen beluisteren en heeft daar dan ook geen oordeel over. Bij het
samenstellen van deze publicatie werden door anderen uiteenlopende
redenen opgegeven waarom het nooit tot intensief gebruik van deze
registers is gekomen zoals: er was nauwelijks muziek voorhanden waarbij
ze op adequate wijze konden worden ingezet, kerkgangers zouden er slecht
bij kunnen zingen, een enkele pijp klonk op zich ‘leuk’, echter een heel
register ging snel vervelen, maar ook: op zich geen slechte vindingen,
alleen de toenmalige intonateuren wisten er geen raad mee. Bouman had
bij zijn vindingen een voorliefde voor lage winddruk en dunne kerns.
Dergelijke stemmen verdroegen geen hogere winddruk waardoor ze voor
gebruik in kerken feitelijk onbruikbaar werden.
[33] In 1964 gebouwd door Pels (opus 581). De opzet van
dit instrument, met twee separate rugwerken, lijkt ontleend aan Duitse
voorbeelden. Had het Von Beckerath-orgel van de Hamburgse Petrikerk
(1955) visueel twee rugwerken, waarbij de C- en Cis-lade in aparte
kasten waren opgesteld, Ott breidde in hetzelfde jaar het orgel van de
Große Kirche in Leer uit met eveneens twee rugwerken, echter nu in de
vorm van twee zelfstandige werken met een eigen klankkleur. In IJmuiden
is voor deze laatste opzet gekozen.
[34] Het orgel van Hoogezand was in 1968 gebouwd door Pels
(opus 689). Het had een Speelfluit 2’ met een curieuze dubbele
kegelmensuur. Dit instrument staat sinds 2005 in gewijzigde vorm in de
aula van de Theologische Universiteit van de Christelijke Gereformeerde
kerken in Apeldoorn. Het orgel van Eerbeek, eveneens door Pels gebouwd
in 1966 (opus 609) had een curieuze Fluit 2’. Dit orgel staat sinds 2024
in gewijzigde vorm in de Fenixkerk te Nieuwe Niedorp.
[35] Laukhuff catalogus 2016, 18.
[36] Mededeling Sicco Steendam, 18 juli 2021.
[37] Henny Jahn, In Memoriam Hans Henny Jahn. Zum
fünfzigsten Todesjahr, Ars Organi, 57/3 (2009), 169-174.
[38] Gert de Looze, Cubus 16’ geeft huispijporgel stevige
basis. Reformatorisch Dagblad, 16-06-2003. Oberlinger verwierf met deze
vinding de Industrie Innovatie Preis 2000.
[39] E-mail Gergely Loch dd 10-11-2025.
[40] De intussen niet meer bestaande Gereformeerde
Hoeksteenkerk. Het Van Oeckelen-orgel staat intussen in de Nederlandse
Gereformeerde kerk De Damstee in Middelstum.
[41] Mededeling Sicco Steendam, 19 oktober 2020.
[42] De Raad werd pas in 1967, na het overlijden van het
lid Ferdinand Timmermans (1891-1967), formeel opgeheven.
[43] Wie kijkt naar de ondertitels van zijn
hoofdstukindeling van orgels over de periode 1850-1950 in zijn uitgaven
van 1943 resp. 1964, ziet direct hoe anders hij - net als vele anderen
met hem - in de tussenliggende tijd naar die periode was gaan kijken.
[44] Victor Timmer, ‘Zo had ik het mij gedacht’, bijdrage
in Hans Fidom [red.], Het Maakzel van Agricola (Zutphen 2019), 231.
[45] Paul Herruer, Martini-orgel weer in gebruik,
Nieuwsblad van het Noorden, 15 september 1984, 21.
[46] Boumans overlijdensadvertentie, Nieuwsblad van het
Noorden, 15 januari 1999, 14.
[47] E-mail gemeente Tynaarlo dd 11-05-2022.
[48] Deze handgesmede ventielverentang was door de
Amsterdamse orgelbouwer Arie Bik (1884-1971) tijdens
herstelwerkzaamheden gevonden in de balg van het Knipscheer-orgel van de
Hervormde kerk van Baambrugge. Bik schonk die aan Bouman als aanvulling
op diens verzameling.
[49] Bouman had de gewoonte pijpwerk dat na restauratie
niet meer werd gebruikt zelf op te slaan. Mogelijk betreft het hier
pijpen uit de Groningse Martinikerk en/of de Bartholomeüskerk in Stedum
(mededeling Sicco Steendam, 16 maart 2021).