Beschrijving van de dispositieverzameling Bouman
Inleiding
20 cahiers met disposities;
2 cahiers met kladversies van de beschrijvingen;
een index.
|
Nummer |
Inhoud[6] |
Datum |
Aantal |
|
I |
Disposities van orgels te ROTTERDAM |
1930 |
142 |
|
II [-A] |
Disposities van orgels uit de omstreken van ROTTERDAM |
1930 |
63 |
|
[II-B] |
Disposities van orgels uit de omstreken van UTRECHT |
1930 |
83 |
|
III [-A] |
Disposities van orgels te UTRECHT |
1930 |
69 |
|
[III-B] |
Disposities van orgels te HAARLEM en omstreken |
1930 |
38 |
|
IV |
Disposities van orgels in NEDERLAND (provincies
UTRECHT en Westelijk GELDERLAND) |
1931 |
105 |
|
V |
Disposities van orgels in ZUID-HOLLAND |
1931 |
77 |
|
VI [-A] |
Disposities van orgels in de Stad GRONINGEN en de
provincie FRIESLAND |
1932 |
195 |
|
VI [-B] |
Disposities van orgels in de provincie GRONINGEN en
DRENTHE |
1948 |
85 |
|
VII [-A] |
Disposities van orgels in de provincies ZEELAND,
NOORD-BRABANT en LIMBURG. en in OOSTELIJK BELGIË |
1933 |
|
|
[VII-B] |
Geen titel (betreft een vervolg op de provincie Noord-Brabant) |
z.d. |
126 |
|
VIII-A |
Orgels in AMSTERDAM en randgemeenten |
1941 |
177 |
|
VIII-B |
Orgels in de provincie NOORD-HOLLAND |
1934 |
125 |
|
VIII-C |
Disposities van orgels in de provincies Oostelijk
GELDERLAND + OVERIJSSEL. en DRENTHE |
1934 |
149 |
|
IX |
Disposities van orgels in de provincie ZUID-HOLLAND |
1934 |
126 |
|
X |
Disposities van orgels in BELGIË (Antwerpen, Mechelen,
tentoonstelling 1935, Leuven, Oostelijk België.) |
1935 |
|
|
XI |
Disposities van orgels in BELGIË (Noordelijk België,
Zuidelijk België, Brussel, Westelijk België) |
1936 |
|
|
XII |
Disposities van orgels in FRANKRIJK |
1938 |
94 |
|
XIII [-A] |
Disposities van orgels in DUITSCHLAND |
1938 |
34 |
|
[XIII-B] |
Disposities van orgels in ZWITSERLAND en ITALIË |
1938 |
20 |
|
Totaal |
|
|
1930 |
Helaas dekt de vlag niet altijd de lading. In de vorm waarin
de scans zijn aangeleverd zijn er beschrijvingen die niet op de juiste
plek zitten. Dat kan allerlei oorzaken hebben, zoals”
-
een latere provinciale herindeling;
-
Bouman noteerde twee Duitse beschrijvingen tussen de beschrijvingen
van Gelderland; Emmerich is ook maar nauwelijks de grens over….;
-
de verzameling ontwikkelde zich tot groeidocument waarbij
beschrijvingen zijn toegevoegd op plekken waar nog ruimte was;
-
in geval van verplaatsing van een orgel werd de beschrijving uit het
ene deel geschreurd en los in het andere gevoegd[7];
-
mogelijk zijn beschrijvingen na raadpleging niet op de juiste plek
teruggelegd;
-
een enkele keer wilde hij kennelijk nog ergens langs gaan. Op die
pagina’s staan in de kop enkel een plaats en een locatie genoemd, soms enkel nog
maar de plaats.
De volgorde als op de scans is in deze uitgave leidend
geweest. Dat iets niet (meer) op een logische plek zit, is geaccepteerd.
Uit de paginanummering blijkt trouwens dat hier en daar een pagina ontbreekt.
Bouman heeft later aanvullende informatie tussengevoegd. Ook
zijn, bijvoorbeeld bij de verplaatsing van een orgel naar een andere kerk,
pagina’s uitgescheurd en in andere cahiers gevoegd. De bladzijden opmerkelijk
gepagineerd. Er zijn delen waar slechts een paginanummer in de rechter bovenhoek
staat en geldt dat nummer voor zowel de linker als de rechter pagina. Ook komt
het voor dat iedere pagina genummerd is. In mijn index houd ik consequent
Boumans nummering aan.
Qua volume laat Bouman de andere verzamelingen achter zich.
In tegenstelling tot bijvoorbeeld de verzameling van tijdgenoot Van Meurs,
hanteerde Bouman ruimere grenzen. Hij beperkte zich niet tot orgels in kerken en
publieke gebouwen, maar legde ook informatie vast over orgels in theaters[8],
in het buitenland en - veel meer dan de andere 20e eeuwse opstellers - over
orgels in particulier bezit[9].
Bouman had een mooi duidelijk handschrift. Ruimtegebrek
noodzaakte hem om bij gegevens die hij later toevoegde (zoals verdere
lotgevallen, overige bronnen[10],
mixtuursamenstellingen etc.), over te schakelen op een veel kleiner lettertype,
hetgeen de leesbaarheid niet altijd ten goede is gekomen. Zijn cahiers ogen
primair als werkdocumenten. Bouman heeft voor tot vastlegging over te gaan,
gebruik gemaakt hebben van kladversies. Er zijn wee cahiers met kladaantekeninen
bewaard gebleven.
-
het overgrote deel is ontstaan voor 1940, met correcties uit later
tijd;
-
een klein deel dateert uit de periode van de oorlog tot begin jaren
vijftig;
-
na Boumans verhuizing naar het noorden voegde hij tot begin van de
jaren negentig informatie toe over enkele instrumenten in Groningen, Friesland
en Drenthe. In vergelijking tot de beide andere fases zijn de beschrijvingen uit
deze laatste zeer globaal.
Omdat hij op sommige locaties meer dan eens is geweest en
iedere keer nieuwe informatie toevoegde, leverde die wijze van werken een enkele
keer een opmerkelijke opsomming op. Bij de Utrechtse Katholieke Kerkmuziekschool
bijvoorbeeld, noemde hij drie instrumenten uit resp. 1925, 1926 en 1940[11].
Echter het orgel uit 1925 bestond op het moment van vastlegging niet meer, dat
was verwerkt in het instrument van 1940.
-
locatie orgel, voor zover van toepassing is hieraan het stadsdeel
toegevoegd;
-
de dispositie[12]
incl. speelhulpen, overzichtelijk in kolommen. Slechts sporadisch blijft de
dispositie achterwege;
-
meestal de manuaal- en pedaalomvang;
-
globale historische informatie.
In de dispositieverzameling en elders in Boumans nalatenschap
zijn drie korte overzichtjes gevonden met marginale informatie over verder (nog)
niet nader beschreven orgels in Leiden (8 locaties), Parijs (10 locaties) en
Amsterdam (6 locaties met een theaterorgel). Mogelijk bewaarde hij dergelijke
overzichtjes als leidraad voor een volgende bezoek aan die locaties.
Met name in de eerste delen vermeldde Bouman onderaan de
beschrijving marginaal iets over de voorganger van het beschreven instrument[14].
Voor wat betreft de plekken waar hij gewoond heeft, zal hij dergelijke
informatie ter plekke verkregen hebben. Opvallend is dat hij ook bij veel orgels
in Friesland informatie over de vroegere instrumenten heeft vermeld. Mogelijk
heeft hij die gegevens ontleend aan de publicaties uit de dertiger jaren van
A.P. Oosterhof in de Leeuwarder Courant.
Voor wat betreft de naamgeving van kerken zat hij duidelijk in
een overgangsgebied. Hij heeft het enerzijds over de Duyststraatkerk in
Rotterdam-Delfshaven (I 44) en anderzijds over de Gereformeerde kerk aan het
Bospolderplein in Rotterdam-Delfshaven (I 50). Deze laatste kerk zou later
Bospolderpleinkerk genoemd worden. Op latere momenten voegde hij additionele
informatie toe zoals:
-
een enkele verbetering;
-
mixtuursamenstellingen;
-
actualisering, bijvoorbeeld als het instrument intussen gewijzigd was;
-
informatie over de toepaste mensuur, het gebruikte materiaal, de
ouderdom;
-
de juiste tractuur (hij vermeldde die direct na de locatie);
-
een enkele keer de winddruk;
-
een overzicht van ondersteunende documentatie[15].
Door het moment van vastlegging zijn Boumans beschrijvingen
veelal de laatste voorafgaande aan de na-oorlogse restauratiegolf.
De gegevensverzameling is een aselecte verzameling. Bouman
streefde immers niet naar een complete inventarisatie, maar legde slechts vast
wat hij tegen kwam. Het heeft dan ook weinig zin om te filosoferen waarom een
bepaald orgel niet in zijn verzameling is opgenomen. Toch zou ik hierop één
uitzondering willen maken. Vrijwel overal in Nederland heeft hij de orgels in de
hoofdkerken beschreven, behalve in Zeeland waar een beschrijving van de orgels
in het Middelburgse Abdijcomplex (de Nieuwe Kerk en de Koorkerk) ontbreekt. Deze
instrumenten zijn weliswaar in 1940 verwoest, maar dat geldt ook voor het wel
door hem beschreven orgel van de Waalse kerk in die stad.
Bouman heeft later om uiteenlopende redenen wel een fors
aantal beschrijvingen geactualiseerd. Verzameling manifesteert zich dan ook
zoals aangegeven als werkdocument. Soms kraste hij een bestaande beschrijving
door en maakte een nieuwe, in de meeste gevallen schreef hij aanvullingen bij de
oorspronkelijke beschrijving. Een enkele keer is het overzicht verloren gegaan
als hij aan een bestaande beschrijving nieuwe informatie toevoegde. Zo noemt hij
bijvoorbeeld in zijn eerste beschrijving een Mixtuur IV-VI, terwijl hij later de
samenstelling van een VI-sterke Mixtuur toevoegde. Kennelijk had een wijziging
plaatsgevonden, maar die vermeldde hij niet.
De later door Bouman aan zijn beschrijving toegevoegde
ondersteunende documentatie kan feitelijk geen ‘bronvermelding’ genoemd worden.
Bron voor de beschrijving is altijd Bouman-zèlf. In zijn aanvullingen gaat het
om later gevonden publicaties waarin het betreffende orgel genoemd wordt. Zo’n
publicatie kan zowel een gedetailleerd artikel zijn, als slechts een mededeling
in een vakblad waarin sec de bouwopdracht van het betreffende orgel wordt
gememoreerd. De diversiteit in de toegevoegde bronnen illustreert Bouman
evenwel als een belezen man. Bij beschrijvingen van als gevolg van het
bombardement op Rotterdam verwoeste instrumenten, zette hij kort Ԡ14 Mei
1940’[16].
Een enkele keer voegde hij een nieuwe pagina in met
informatie uit andere bron. Het moment van actualisering is geheel situationeel,
maar bronnen na circa 1950 worden niet meer genoemd. Mogelijk raakte zijn
verzameling toen wat op de achtergrond en voegde hij slechts incidenteel nog wat
toe. Voor wat betreft deel 1 is de laatste aanvulling uit 1970, de brand in de
Rotterdamse Sandelingpleinkerk. Voor wat betreft deel 2 de wijziging van de
Noorderkerk te Bunschoten-Spakenburg in 1951.
In de inleiding attendeerde ik erop dat Teus den Toom aan
de gekopieerde cahiers van Bouman een fors overzicht heeft gevoegd van de
projecten waarbij Bouman als adviseur betrokken was. Over weinig van die
activiteiten is maar iets in de dispositieverzameling terug te vinden. Was hij
strikt in het scheiden van zakelijk en privé, raakte de verzameling vanaf pakweg
begin jaren vijftig op de achtergrond of had hij van iedere adviesopdracht een
dossier en was vermelding in de dispositieverzameling daarom niet nodig?
Opvallend is dat Bouman bij huisorgels wel vermeldt welke
registers uitsluitend in bas of discant aanwezig zijn, maar bij de overige
stemmen niet expliciet aangeeft wanneer deze in bas en discant verdeeld zijn.
Vergelijken we in deel 1 de beschrijving van het vroegere Laurens-orgel (vastlegging
1930) met die van het na-oorlogse transept-orgel van diezelfde kerk (vastgelegd
1959 of later), dan zien we hoe Bouman steeds gedetailleerder te werk ging. Bij
het transeptorgel vermeldt hij nu bijvoorbeeld ook meteen informatie over de
mensuren, de kernfasen, de steminrichting en het materiaal waarvan bijvoorbeeld
de tongen en de conducten gemaakt zijn, een wereld van verschil.
De basisopzet is in alle delen gelijk, qua uitvoering zijn
er toch significante verschillen. Deel 1 is systematisch geordend, duidelijk op
basis van op eerdere momenten verzameld materiaal. Bij de volgende cahiers is
dat alleen bij het eerste gedeelte. Door de (soms vele) aanvullingen raakt
zonder index in die cahiers hier en daar het overzicht zoek.
In deel 1 bevindt zich geen enkele beschrijving waaraan
later niets is toegevoegd. In latere delen staan wel beschrijvingen waarop niets
is gewijzigd of gecorrigeerd. Opvallend is dat bepaalde zaken ontbreken.
Zo meldde Bouman geen informatie m.b.t. de soort windvoorziening[17].
Deel IV is een stuk kariger v.w.b. historische informatie.
Ook ‘struinde’ hij daarin niet meer alle kerken in de genoemde dorpen af, maar
beperkte hij zich veelal tot één (veelal Hervormde) kerk. Informatie over
vroegere orgels komt eveneens niet meer aan bod.
In deel VII vermeldt Bouman bij veel instrumenten die in de
Tweede Wereldoorlog verwoest zijn veelal ‘† 1945’, terwijl een aantal van deze
orgels al in 1944 door oorlogsgeweld ten onder is gegaan. Uit dit deel blijkt
duidelijk hoe het orgelbezit in de zuidelijke provincies geleden heeft in de
laatste twee oorlogsjaren.
Deel VIII-A valt op doordat daarin verhoudingsgewijs veel
meer recentere instrumenten aan bod komen. Omdat hij lang in dan we vlak bij
Amsterdam woonde, is dit deel ook meer actueel gehouden dan andere delen.
Is in deel VII nog een strakke groepering per provincie, in
deel VIII-C staan de orgels van Gelderland en Overijssel deels door elkaar.
In deel XII (Frankrijk) worden verhoudingsgewijs veel orgels in Parijs beschreven. Bouman ging graag naar die stad. Opvallend is dat hij van de Parijse kerken alleen de hoofdorgels beschreef en over de aanwezige kleinere instrumenten (soms meer dan één) niets opnam. [20]
|
Provincie |
Aantal |
% |
% |
|
Groningen |
92 |
4,9 |
5,7 |
|
Friesland |
164 |
8,5 |
10,1 |
|
Drenthe |
24 |
1,3 |
1,6 |
|
Overijssel |
54 |
2,9 |
3,4 |
|
Gelderland |
155 |
8,2 |
9,5 |
|
Utrecht |
189 |
9,9 |
11,6 |
|
Noord-Holland |
336 |
17,5 |
20,6 |
|
Zuid-Holland |
393 |
20,5 |
24,0 |
|
Zeeland |
22 |
1,2 |
1,6 |
|
Noord-Brabant |
104 |
5,5 |
6,4 |
|
Limburg |
88 |
4,3 |
5,5 |
|
Subtotaal |
1641 |
x |
100 |
|
Ned. Indië |
3 |
0,3 |
x |
|
Buitenland |
286 |
15,0 |
x |
|
Totaal |
1930 |
100 |
x |
Het accent van de verzameling ligt voornamelijk op de
provincies Zuid- en Noord-Holland en in wat mindere mate op de provincie
Utrecht. De overige delen van Nederland komen beperkter aan bod.
Het valt op dat Bouman geen cahiers heeft gewijd aan
Flevoland, terwijl hij de plaatsing van orgels in de Noordoostpolder en in
Oostelijk Flevoland toch heeft meegemaakt[21].
Ook heeft hij maar zeer beperkt aandacht besteed aan de orgels in de toenmalige
koloniën, terwijl ook in die contreien een aantal Nederlandse orgelmakers
werkzaam was.
De cahiers met orgels in het buitenland illustreren Bouman als een bereisd man die ook buiten onze landsgrenzen veel instrumenten heeft bezocht en bespeeld. Hij was een van de weinigen op orgelgebied die dat al in de periode voor de tweede wereldoorlog deed.
Spreiding van de verzameling qua aard locatie[22]|
Locatie |
% |
|
Nederlands Hervormd |
35,0 |
|
Gereformeerd |
17,0 |
|
Rooms Katholiek[23] |
23,5 |
|
Overige denominaties |
12,0 |
|
Huisorgel |
3,1 |
|
Theaterorgel |
1,0 |
|
Overige locaties[24] |
8,4 |
|
Totaal |
100 |
Deze percentages moeten uiteraard met de nodige
voorzichtigheid gehanteerd worden, want van orgels waarvan het Bouman niet lukte
om toegang te krijgen, zijn in zijn verzameling geen gegevens opgenomen. Het
ziet er echter naar uit dat Bouman, ondanks zijn vele activiteiten op het
Gereformeerde kerkerf, voor wat betreft zijn verzameling geen speciale voorkeur
voor een denominatie had. Er is sprake van een voor zijn tijd opvallend zeer
gemêleerd beeld.
Slot
In tegenstelling tot de dispositieverzameling Boogaart
waarvan de samenstelling een beperkt aantal jaren beslaat (1949-1959) en als het
ware gesproken kan worden van een tijdscapsule, gaat dat bij de
dispositieverzameling Bouman niet op omdat die op een veel langere periode
betrekking heeft.
Op latere leeftijd kon hij zijn verzameling niet meer goed
actueel houden. Na de publicatie in 1973 van de orgelberichten uit Stemmen voor
Waarheid en Vrede bijvoorbeeld[26],
realiseerde hij zich dat hij zich hier en daar met name voor wat betreft bouwers
van 19e eeuwse instrumenten vergist moest hebben. Hij heeft toen één en ander
moeten corrigeren.
[1] Zie bijvoorbeeld de hoeveelheid materiaal die hij
beschikbaar stelde voor Cor Doesburgs boek Orgels bij de omroep in
Nederland (Naarden 1996).
[2] n.n., Rotterdams orgels. Wat verloren ging en wat
behouden bleef. Orgel der Groote kerk een smadelijk verlies.
Rotterdamsch Nieuwsblad, 18-06-1940, 3e blad, 1.
[3] Jan van Bommel Jzn., Daar kerkte Rotterdam (Leiden
1965).
[4] Helaas moet ook een en ander verloren zijn gegaan. Het
deel m.b.t. noord-Duitsland bijvoorbeeld, dat ik vroeger heb mogen
raadplegen, is kennelijk niet bewaard gebleven.
[5] Verder in deze publicatie laat ik die blokhaken
achterwege.
[6] Hier en daar verschilt de aanduiding op de kaft met
die op de titelpagina en of de daadwerkelijke inhoud. Voor de
overzichtelijkheid is in deze tabel de titelpagina leidend.
[7] Zo bevindt zich tussen Boumans beschrijvingen van
orgels in Leeuwarden een dispositie van het orgel in de H. Hart-kerk, in
die stad heeft echter nooit een kerk met die naam gestaan. Het betreft
hier het orgel van de H. Hart-kerk in Tilburg dat in 1978 in de
Leeuwarder Koepelkerk is geplaatst.
[8] Een andere opsteller, Johan van Meurs, had in 1931
tijdens zijn vakantie in Zeeland in Vlissingen zowel het orgel van de
Jacobskerk als dat van het toenmalige Alhambra-theater bezocht. Hij nam
in zijn dispositieverzameling evenwel enkel gegevens over het orgel van
de Jacobskerk op.
[9] Reden dat Bouman veel orgels in particulier bezit
heeft kunnen opnemen, is mogelijk dat bevriende orgelmakers zoals de
Gebr. van der Kley en Strunk hem op de hoogte stelden van de standplaats
van deze instrumenten.
[10] Aan sommige bronnen
ontleende hij veel informatie, in andere door hem vermelde bronnen werd
het beschreven orgel slechts terloops genoemd.
[11] Later voegde hij daar ook
nog een 19e eeuws secretaire-orgel tussen.
[12] Bij tongwerken plaatste hij
consequent een ‘T’ achter het betreffende register;
[13] GAG, inv.nr. 1618/1. Bouman
vond dit instrument onjuist gemensureerd. Pas in 1937 werd het door de
NKO goedgekeurd (De Harp, 32/5 [1937], 36).
[14] Bij de telgegevens m.b.t.
zijn verzameling, is in die gevallen uitgegaan van twee beschreven
instrumenten, behalve in die gevallen waarbij hij met een vroeger
instrument een voormalig binnenwerk bedoelde.
[15] Niet alle door Bouman
genoemde bronnen zijn op dit moment al digitaal ontsloten, hetgeen bij
de annotatie omissies oplevert.
[16] Bij instrumenten die als
gevolg van latere bombardementen in de oorlog verloren gingen, deed hij
iets vergelijkbaars: † en de datum van vernietiging. Overigens zijn meer
door hem beschreven orgels tijdens de 2e wereldoorlog verloren gegaan.
Hij was daarvan op detailniveau kennelijk niet altijd van op de hoogte.
[17] Dit geldt ook voor de meeste
tijdgenoten. Tijdgenoot Van Meurs begon bij zijn dispositieverzameling
pas op een later moment de soort windvoorziening te vermelden. Ook in de
vakbladen werd de aard van de windvoorziening pas veel later een issue.
[18] Bouman wijkt daarin niet af
van andere dispositieverzamelingen. Alleen in de dispositieverzameling
van van Meurs is Drenthe rijkelijk vertegenwoordigd.
[19] Brouwer 2017, 72. Van Meurs
voorzag ook Vente van aanvullende informatie over Groningse orgels.
[20] Eringa, 96.
[21] Vanaf begin jaren vijftig
werden kerken in de Noordoostpolder en later de Flevopolder van orgels
voorzien. Bij enkele was Bouman zelfs als adviseur betrokken.
[22] In dit overzicht is het
kerkgenootschap op het moment van samenstelling aangehouden. Gegevens
over instrumenten buiten onze landsgrenzen zijn niet in dit overzicht
meegenomen.
[23] In deze rubriek zijn ook
orgels in RK kloosters opgenomen.
[24] Hieronder worden verstaan:
concertzalen, scholen, stadhuizen, musea, alsmede orgels die op moment
van opname nog in de werkplaats van een orgelbouwer stonden, zonder dat
al een bestemming aangegeven kon worden etc.
[25] In beschrijvingen die Bouman
op latere leeftijd maken zitten soms enkele slordigheden.
[26] W.D. van der Kleij en W.H.
Zwart, Repertorium van orgelberichten voorkomend in “Stemmen voor
Waarheid en Vrede”. De Mixtuur, nr. 11 (1973), 194-206.